Nachtwind  > Hapé Smeele  > Onstuimige leegte

Onstuimige leegte

Tekst & fotografie: Hapé Smeele

Beschouwing: Daniël van Egmond

 

Prijs € 45,- (gratis verzending)

 

12 losbladige landschappen op transparant papier in een handgemaakte doos.

Formaat 35 x 25 cm en 2,5 cm dik

Ontwerp: Jannie de Groot

 

In twaalf beelden van de ons omringende natuur maakt fotograaf Hapé Smeele het mysterie van het onkenbare eeuwige voelbaar. Een uitnodiging om de onstuimige creativiteit ervan te gebruiken voor ons leven.’

 

Godsdienstfilosoof Daniël van Egmond schreef er een beschouwing bij.

 

 

 

 

 

Direct bestellen? Mail naar:

erik@nachtwind.nl

Betalen hoeft pas na ontvangst.

 

 

 

Met de landschappen onderzocht Hapé Smeele de stilte en het mysterie in ons leven. Soms maakte hij te voet lange tochten in verre oorden, soms fotografeerde hij, heel close-up, in zijn directe omgeving. Soms waren de beelden vol schoonheid en sensualiteit, soms juist duister en zwart. Maar steeds ging het hem om de gelaagdheid van de wereld te ervaren en deze te tonen.

 

Het werk is het derde deel van zijn drieluik over ‘kwaliteit van leven’, dat hij midden jaren negentig begon met twee bekroonde fotoboeken. ‘Een andere werkelijkheid’ over verstandelijk gehandicapten. En ‘Met de moed van een ontdekkingsreiziger’, over dementie en sterven.

 

En nu is er dan ‘Onstuimige leegte’. Het is een poëtische beschouwing op het ‘ongewenste’: op dat wat we ons niet wensen, maar soms wel komt. Maar ook een ode aan het verblijven in het ‘niet-weten’.

Fragment uit Onstuimige leegte

 

 

We zijn omringd door het mysterie, de verborgen wereld van het onkenbare eeuwige. Ouder dan het oudste landschap. Stil en terughoudend.

 

Maar het niet-weten dat het mysterie met zich meebrengt, is soms ondraaglijk. We wenden ons af. Het verlangen te duiden en te verklaren staat een echte ontmoeting in de weg.

 

Het herkennen van het mysterie vraagt een andere gerichtheid, een ander perspectief. Eenvoudig vertragen kan al een opening geven naar het ervaren van het subtiele, het terughoudende.

 

Elke tijd en cultuur heeft voor de grote levensvragen verbinding gezocht met het mysterie. Onze ogen zijn echter gericht geraakt op het meetbare en maakbare. Maar, om de Ierse dichter John O’Donohue te citeren: ‘De wereld is veel groter, intenser en vreemder dan we ons kunnen voorstellen.’ Haar reduceren tot dat wat meetbaar is, vernauwt onze blik. Voor antwoorden op onze levensvragen hebben we een breder venster nodig.

 

Je omringd weten door het onstuimige mysterie verrijkt je binnenwereld. Ook wij zijn een expressie van het eeuwige. Een rijke innerlijke wereld geeft ons de moed en de mogelijkheid eigen antwoorden te zoeken. We geven onze ziel grond en we vergroten ons blikveld. Deze extra ruimte hebben we nodig als de onvermijdelijke confrontatie komt met het ongewenste: het lijden, het verdriet en de dood. Hapé Smeele

Fragment uit de beschouwing van Daniël van Egmond

 

 

De natuur onthuld

 

Proloog

 

Het is een heldere nacht – kom, laten we naar buiten gaan!

 

Een diepblauwe hemelkoepel boven ons, overdekt met sterren.

Ik weet dat zich daar miljoenen sterren bevinden. Wat en wie zijn wij dan nog, levend op een klein planeetje in een verre uithoek van de Melkweg? Onmetelijk klein tegenover onmetelijk groot. En de sterren die wij zien, zijn niet de sterren zoals ze nu bestaan. We zien immers alleen het licht dat zij miljoenen jaren gele-den hebben uitgezonden.

 

De onmetelijke afgrond van dit heelal boezemt mij vrees in; wat is de betekenis van mijn leven in dit lege, koude en anonieme universum?

 

Kom, kijk om je heen, kijk naar de aarde, kijk naar de natuur!

 

In het licht van de sterren doemen vage contouren van bomen en struiken op. Zij lijken via een zacht weefsel met elkaar verbonden te zijn; zij omringen en omhullen mij met hun stille, voelbare aanwezigheid.

Vage bewegingen, geritsel, hier en daar diepere  schaduwen: komt daar iets of iemand naderbij?

 

Ook nu bevangt mij een lichte vrees; ik ben niet thuis in deze nachtwereld. Wel voel ik dat een verborgen leven mij omhult; doch het is een vreemd, niet-menselijk leven, waaraan ik mij niet durf over te geven.

 

Kom, laten we naar binnen gaan, naar mijn kamer vol met dingen, vol met objecten die mij geen vrees inboezemen omdat zij mijn bezit zijn. Hier voel ik mij vei-lig en vertrouwd. Hier ben ik het middelpunt, hier heeft alles betekenis voor mij. De verschillende objecten verschijnen in het elektrisch licht scherp van elkaar onderscheiden; precies zoals dit ook bij daglicht het geval is.

 

Ik bevind me te midden van een verzameling objecten. Mijn lichaam is als een object tussen alle andere objecten – of toch niet? Mijn lichaam is intiemer met mij verbonden dan met alle andere dingen. Met mij? Ben ik iets of iemand anders dan mijn lichaam? Is mijn lichaam, of ben ik met de dingen verbonden? Ik ben toch mijn brein – althans volgens een invloedrijke opvatting?

 

Opnieuw overvalt mij een diepe vrees. Ik voel me niet alleen vervreemd van de hemel en de aarde, ik ben ook vervreemd van mijn lichaam, van mijzelf. Het lijkt wel alsof ik mij in een kerker bevindt: gevangen in mijn lichaam, gevangen op aarde en gevangen in de kosmos, omhuld door schaduwen die komen en gaan.

Eerst dacht ik nog heer en meester over mijn huis te zijn; nu is alles mij volslagen vreemd. Ik ben een balling, een vreemdeling in een zielloze wereld, een vreemdeling in een zielloos bestaan.

 

De slaap

 

Zolang ik alles wat ik ervaar uitsluitend begrijp door middel van begrip-pen en theorieën die ik in de loop van mijn leven heb geleerd, leef ik vanuit mijn hoofd, ja, ben ik inderdaad mijn brein. Ik verwar mijn theoretische kennis met de levende werkelijkheid. Ik laat mijn zintuiglijke ervaringen niet echt tot mij door-dringen, want ik laat mij voortdurend meeslepen door een onophoudelijke stroom van gedachten, associaties en herinneringen. Ik lijk wel een slaapwandelaar.

De gehele dag breng ik door in een wolk van dagdromen. Alleen als er iets onverwachts gebeurt, schrik ik wakker en besteed ik een enkel ogenblik enige aandacht aan mijn omgeving, om daarna weer snel in slaap te vallen. Desondanks blijf ik volhouden dat ik een autonoom individu ben die de bron is van zijn eigen gedachten, gevoelens en wilsimpulsen. Juist die gedachte houdt mij in slaap, want in werkelijkheid word ik net zo beheerst door deze onophoudelijke stroom van gedachten, gevoelens en beelden, als het geval is in de droomtoestand. Het enige onderscheid daarmee is dat ik overdag wat sneller op zintuiglijke prikkels reageer dan ’s nachts. Dan heb ik daar een wekker voor nodig.

 

 Mijn zintuiglijke ervaringen worden overwoekerd door talloze associaties, begrippen en theorieën die verbonden zijn met de dingen die ik zie of mee-maak. Daarom ben ik gewoonlijk niet in staat om de dingen werkelijk te zien en de gebeurtenissen werkelijk te doorleven. Zolang ik gehuld blijf in de wolk van dagdromen, ben ik als de gevangene die zich in Plato’s grot bevindt.

 

- einde fragment -